Draken en Monsters

Lang geleden was het kleine land met het grote kasteel een gelukkig land. De zon scheen veel en altijd net voor de boeren wilden gaan klagen, begon het te regenen. De mensen lachten hartelijk en het leek wel alsof iedere dag een nieuw lied geschreven werd dat de troubadours over het hele land zongen en dat de meisjes tevreden mee neurieden.

Tot op een dag, welke begon als alle anderen, de schaduw van een vliegende draak over het land trok. Alle ridders sprongen op hun paard en probeerden moedig de draak te doden of op zijn minst weg te jagen. Ze slaagden er slechts in opgegeten te worden. En de draak trok het grote Kasteel in, waar hij alle dienaren opat, en vervolgens de Koning, Koningin en de drie Prinsen verorberde. Hij liet alleen de Prinses leven en sloot haar op in de kerker.

En nog steeds huisde de draak in het Kasteel en dagelijks vloog hij over het land om zich te voeden en greep een schaap of koe uit de wei, of een dronkaard of wie dan ook van de weg. Menig moedig ridder en zelfs enkele prinsen uit verre landen, die gehoord hadden van de legendarische schoonheid van de Prinses reden op het Kasteel af, maar geen keerde ooit terug. De mensen verlieten de huizen die in de buurt van het Kasteel stonden, en de meesten probeerden niet eens de kant van het Kasteel op te kijken. Het leven in het land ging door en hoewel men graag wilde vergeten, ontkwam niemand eraan iedere dag toch een moment te denken aan die arme Prinses. Er werd minder gezongen en het leek vaker te regenen. De schaduw van de draak bedekte het hele land.

Het is gebleken dat draken dol zijn op goud en prinsessen. Nu gaat het gerucht dat zij in een vorig leven Kroonprinsen waren die recht hadden op de troon, maar deze om welke reden dan ook nooit bestegen. Zo ging ook het gerucht in het land dat deze draak wellicht de oudere broer van de Koning was, die na een wijnfeest op een wat verdachte wijze de dood vond. Andere geruchten in het land, zoals waarom de dochter van pater Branlius na ieder zondagmis in het dichte bos verdween, waar even daarvoor de twee blonde jagers in verdwenen, of waarom Zwarte Jacques altijd het kaartspel won wanneer hij zelf mocht delen, of waarom juffrouw Kalter na jaren pianoles nog geen noot kon lezen of spelen, deze geruchten, zijn voor dit verhaal niet van belang.

Een vol jaar ging voorbij. Geen ridder of prins nam het al die tijd op tegen de dodelijke draak. De winter was erg koud geweest en de lente liet lang op zich wachten. Nu was het zomer, heet en de zon brandde en brandde, en de velden stonden droog. Geen mens zong nog en er werd zelden gelachen. Enkele gezinnen waren vertrokken, de grens over, hopend geluk te vinden. En steeds meer mensen overwogen een dergelijke reis. Welke kant dan ook op, over de grens, weg uit dit land.

Ze kwamen van ver. Heel ver, want niemand had ooit van dergelijke wezens gehoord. Wanneer zij een dorp in liepen, vluchtten de mensen hun huizen in. De één was minstens drie meter hoog, met harige armen, dik als een veulen en een onderkaak als de kop van een stier. Een grote botte bijl hing aan zijn brede leren riem. Een verschrikkelijk monster en uit zijn blik sprak haat. De ander zat op zijn schouder. Minstens zo lelijk als het reusachtige monster. Een klein verschrompeld, loerend mannetje, nog geen meter hoog. De mensen in dit land hadden verhalen gehoord van trollen, maar er nog nooit één gezien. Ze konden dus niet met zekerheid zeggen of dit een trol was, maar aangezien ze niet wisten wat het anders kon zijn, was het een trol. Het schrikwekkende tweetal liep in een rechte lijn richting het Kasteel. De mensen gaven een zucht van opluchting wanneer zij het dorp uit waren, en begonnen zich vervolgens zorgen te maken om de bedoelingen van het monster en diens trol. Waren zij dienaren van de draak? Of misschien waren zij wel Drakendoders en kwamen zij voor de Prinses en het goud.

Aan het begin van de avond klonk trompetgeschal vanuit het Kasteel, vals en ietwat vreemd. Nu is er geen draak die op een trompet kan blazen, dus het moest wel het monster of diens hulpje, de afzichtelijke trol zijn. De mensen herinnerden het trompetgeschal uit de vroegere gelukkigere tijden, waarmee aangekondigd werd dat de Koning zijn volk toe wilde spreken, of dat de Koningin een kind had gekregen en het volk welkom was de koninklijke telg te begroeten. Of voor allerlei andere feestelijke aangelegenheden. Nu raakten de valse noten de mensen in hun hart en botten en zij wrongen hun handen en stamelden korte gebeden. Die arme Prinses. Eerst in de macht van de draak, koud en eenzaam opgesloten in de kerker, en nu dat monster. Geen mens wilde eraan denken wat dat monster met haar zou doen. De dagen hierna zag niemand de draak in de lucht. En nu was het wel zeker. De draak was dood en het monster had zijn plaats ingenomen.

Het nieuws van de gedode draak verspreidde zich snel over het land. En vele koene ridders en enkele enthousiaste prinsen reden vol goede moed op het Kasteel af. Geen mens immers geloofde in monsters. Draken waren natuurlijk levensgevaarlijke beesten, en als het te vermijden was, moest men niet in hun buurt komen, maar monsters? Och, als een man misschien een litteken in het gezicht heeft, en een behaarde rug, en misschien nog een bochel of een klompvoet is hij, nadat het verhaal driemaal doorverteld is al snel een monster of een gnoom. Dit soort verhalen waren voor oude wijven of kleine kinderen. Geen edele ridder die zoiets serieus kon nemen.

Eén voor één werden de ridders met gejuich en lofliederen ontvangen. Het volk bood hun warm eten en sterke wijn aan, en triomfantelijk trokken zij één voor één richting het Kasteel en slechts enkele van hen keerde terug. Zij die de strijd overleefden misten vaak een arm of een been, en soms beiden. Zij werden verzorgd en de mensen verdrongen  elkaar om de verhalen over het verschrikkelijke monster aan te horen. Wanneer de ridders voldoende hersteld waren om uit te rijden, vertrokken zij weldra en zwoeren nooit meer voet te zetten in dit vervloekte land. Minder en minder ridders deden een poging de prinses te redden. Tot er opnieuw een jaar voorbij ging dat niemand richting het Kasteel reed. En weer wanhoopte de bevolking.

Vencin was de oudste zoon van de plaatselijke hoefsmid. Al snel bleek echter dat hij niet het gestel noch de interesse had zijn vader op te volgen. Na enkele fikse ruzies accepteerde de vader dit en benoemde zijn tweede zoon tot zijn toekomstige opvolger. Vencin werd getolereerd in het huis van de hoefsmid, hoewel zijn vader hem steevast Niksnut noemde. En als Vencin eerlijk was geweest, had hij moeten toegeven dat hij inderdaad en niksnut was. Hij wilde geen hoefsmid worden en van alle andere beroepen sprak slechts de troubadour hem enigszins aan. Hij had echter niet het doorzettingsvermogen de lier of luit te leren bespelen, en zingen kon hij ook niet. Hij hield ervan over de heuvels te lopen en wat te fluiten. Soms kon hij urenlang onder een boom liggen luisteren naar het geritsel van de bladeren in de wind. Hij hield ervan in zijn bed te liggen dromen, soms zelfs midden op de dag. Af en toe kroop hij 's nachts uit bed en liep wat door de stille stad. Hij had geen idee waarom hij dit deed, maar hij vond het best prettig. Hij hield net zoveel van de zonsopgang als van de zonsondergang. En van blonde meisjes met kleine neusjes hield hij ook. Van allen even veel, hoewel zij hem zelden zagen staan, en als ze hem zagen, nogal vreemd aankeken. Hij hield ook van verhalen over zeerovers en ontdekkingsreizigers. Al met al was Vencin tevreden met zijn leven als Niksnut.

Zo liep hij op een dag door de heuvels wat te dagdromen over een reis naar een land ver achter de horizon. Dan keek hij even naar de paar wolken in de hemel, bleef een moment stilstaan, en liep weer door. Tegen het einde van de middag kwam hij bij een hoge muur, welke hij nooit eerder gezien had. En op het moment dat hij besefte waar hij was, bij het Kasteel! hoorde hij een diepe, zware stem achter zich: "Kereltje." Verschrikt draaide Vencin zich om en hoopte direct dat dit één van zijn vele dromen was. Want daar stond hij. Het Monster. Reusachtig. Harig. Lelijk. Levensgevaarlijk. "M..m..", stamelde Vencin, "m..m..monstermeneer eetmijnietop!" Het Monster lachte bulderend, en de haren in Vencins nek stonden rechtop. "Nee," zei het Monster, "vandaag niet." Hoewel dit Vencin niet geheel geruststelde, viel het hem op dat het Monster niet erg onvriendelijk klonk. Maar ook dit was niet geheel geruststellend. "Kom een moment het Kasteel binnen," vervolgde het Monster,"drink wat wijn mee, of thee, als je maag wijn niet gewoon is." "Thee!?", pruttelde Vencin,"m..maar u bent toch het Monster, meneer?" "Het Monster?" vroeg het Monster. "Nee, ik ben Karda, zoon van Bartek. Monsters bestaan niet, mijn jong. Wat is je naam?" "Vencin, zoon van de hoefsmid." "Aangenaam, Vencin."

En terwijl ze langs de muur en door de poort naar het Kasteel liepen, vroeg Vencin verder. "Maar het was toch u die al die ridders en prinsen doodde en verminkte?" "Al die schreeuwlelijken?" vroeg het Monster. "Die mij vervloekten en met getrokken zwaard op me af galoppeerden? Jawel, ik had weinig keus. En ik houd er niet van vervloekt te worden." "En," Vencin begreep nog steeds weinig van de situatie, "u doodde toch ook de draak?" "Ook die doodde ik, ja, maar ik neem aan dat die door niemand gemist zal worden." Toen kwamen ze het Kasteel binnen en de pracht ervan verstomde Vencin. Fluweel, zijde, goud, zilver, marmer, kleurrijk glas in lood, pilaren, kroonluchters, paars, rood, diep donker glanzend bruin. Het was schitterend. Karda ging hem voor in de immense hal en zei, "Kom verder, de Koning en Koningin zullen je graag willen ontmoeten." Verdwaasd liep Vencin achter Karda aan. Hij wist nog steeds niet zeker of hij niet droomde. Dat zou tenminste een logische en geruststellende verklaring zijn. De Koning en Koningin? Maar die waren toch door de draak opgegeten? Ze liepen door en kwamen in de eetzaal, en daar aan het einde van de tafel stond ze op. Voor hem, ze stond op voor hem! Het was de Prinses en zij schitterde. Om haar schouders een purperen gewaad, doorweven met goud en ingelegd met diamanten en haar lange blonde haar wapperde licht, hoewel er geen zuchtje wind stond. En ze lachte. Naar hem! Op haar hoofd de kroon, de kroon van de Koningin. Natuurlijk, zij was niet langer de Prinses. "Welkom", zei ze bijna zingend, en ze was zo mooi. En aan haar zijde stond nu een man en Vencin herkende hem. Het was de trol. Maar het was geen trol, daar naast de Koningin. Zijn kleding was mooi en stijlvol. Een cape van wit bond droeg hij. Hij was klein, ja. Zijn gezicht gerimpeld en gehavend, een dikke neus en zeer zware wenkbrauwen en gewoon een beetje vreemd, maar hij lachte naar Vencin en Vencin had nog nooit zo'n vriendelijke lach gezien. Op zijn hoofd stond trots de Koningskroon. Vencin viel op zijn knieën. En hoewel dit gepast was, was dit niet zijn bedoeling. Zijn benen begaven het simpelweg. Hier was hij, de Niksnut, in het gezelschap van de nieuwe Koning en Koningin.

Na een flink glas wijn kwam Vencin weer bij van de schrik. Meer dan dat; hij werd flink jolig, want, hoewel hij het zijn gastheren en -dame niet zei, dit was zijn eerste glas wijn. Hij vroeg om een tweede en kreeg deze. De nieuwe Koning en Koningin leken innig verliefd. En ook al was de Koning, Koning Kayos, zo leerde Vencin, zoon van Bartek, broer van Karda, zeker geen knap man, kon Vencin de liefde van de Koningin voor hem begrijpen. De Koning was vriendelijk, grappig en leek een wijs en nobel mens. Vencin vroeg hen waarom, als zij toch de nieuwe Koning en Koningin waren, zij het volk niet voor een groots feest uitgenodigd hadden. Terwijl Karda aan kwam lopen met kilo's gebraden vlees en meer wijn, vertelde de Koning dat zij nadat Karda de draak gedood had de loftrompet bliezen, maar dat geen mens er gehoor aan gaf. En hoe zij tijdens hun tocht door het land, op weg naar het Kasteel, slechts angstige en verwarde blikken toegeworpen kregen, en dat geen mens hen brood of water aanbood. De deuren bleven gesloten en ook een slaapplaats bleek teveel gevraagd. Vencin kende natuurlijk de verhalen van het Monster en de Trol en begreep dat er sprake was van een groot misverstand. Dit waren immers geen monsters. Dit waren de vriendelijkste mensen die hij kende.

Hij verzocht hun hem te vergezellen naar de stad. Het volk had een Koning en Koningin nodig, en bij het zien van het schitterend geklede paar zou een ieder het misverstand inzien. De Koningin was het met hem eens, en na wat gemor van de broers vertrokken zij alle vier richting de stad.

En zoals Vencin voorspelde, geschiedde. De mensen juichten het koninklijke echtpaar toe, en beseften pas later dat de nobele Koning dezelfde was als de Trol, die zij door het dorp hadden zien trekken. En de mensen lachten om hun vergissing  en betuigden de Koning en de betoverende Koningin hun eer. Dagenlang was er feest, en menigeen dronk teveel wijn. En iedereen was Vencin dankbaar dat hij de moed had naar het Kasteel te gaan. En het kleine land met het grote kasteel was weer een gelukkig land.


Boy Phaff, 2006