Mijmeringen

Stokken in de hand, het gezicht besmeurd met roet, trokken begin negentiende eeuw de Luddieten, lyrich bezongen door Lord Byron, wraakzuchtig de fabrieken binnen en verwoestte technofobisch de machinerie, wat in hun ogen duidelijk een bedreiging vormde voor de werkgelegenheid. “And down with all kings but King Ludd!”
            Onderwijl zit de filosoof in zijn luie stoel en hij staart naar zijn navel en hij kauwt op zijn pijp en hij heeft visioenen van de Ideale Staat, alwaar allerhande robots en machines het werk doen en het brood bakken van de verlichte mensheid die zich verliest en hervindt in de kunsten en de rede en schoonheid en geen Toren van Babel nodig heeft om de Goden naar de kroon te steken.
            En allen kunnen we ons het tijdloze beeld voor ogen halen van de papperige en tevreden slavenhandelaar, de fundering van alle groeiende culturen: De zweep binnen handbereik, schommelstoelend in de zonsondergang, zich lavend aan andermans zweet, de eeltloze handen in de zakken, verzadigd en dikker na iedere overvloedige maaltijd, zijn God dankend voor diens barmhartigheid.
            En nu: Sluiten we onze grenzen voor een ieder die het werk wil doen waar wij onze blauw beaderde handen voor omdraaien, beschimpen en bespugen witte xenofobische tieners de besnorde vruchtbare gastarbeider en bejubelen we ons Heilige Televisietoestel. En dan vinden we in ons overbevolkte bejaardentehuis tot onze schrik geen persoonlijke beeldbuis, en sterven we, zoals iedereen, nog steeds alleen.


Boy Phaff, 2006