De Visser op het Strand De golven, zwart, alsof de zee deze uit haar diepste diepten kotste, beukten en beukten tegen de boeg van het vissersbootje. De wind had met haar grootse onzichtbare macht het zeil van de mast gerukt en meegesleurd ver weg. De op hol geslagen zee raasde en siste en bulderde als de onaardse schaduwmonsters uit de donkere ravijnen van het Dash-kel ti gebergte, welke hun meesters de Goden van de Dood luidruchtig bewaken tegen al dat leeft. De regen kletterde neer en de donkere wolken kolkten wild, bezeten door de rommelende en brekende donder. Het luide geschreeuw van de visser, die de zee vervloekte en zijn goden om hulp aanriep, kwam niet boven dit geweld uit. Gelijk een ondeugend kind wierp de zee het bootje van golf naar golf. De schreeuwende visser had zichzelf stevig vastgebonden aan de zware eikenhouten mast, die ondanks zijn norse gekraak nog altijd sterk standhield. De golven sloegen tegen het bootje en sloegen over het bootje. Het roer tolde woest, dan weer de ene kant op, dan weer de andere. Het bootje steunde en kreunde, maar weerstond het geweld moedig. De volgende dag kondigde zich aarzelend rood aan en de visser droomde diep, hangend aan de mast. Steeds hoger aan de blauwe hemel vervolgde de zon zijn dagelijkse tocht. Hoog stond hij nu en de hitte verschroeide de visser. Het droge zout trok aan zijn huid en liet het bijna barsten toen hij gewekt werd door het klaaglijk gekrijs en gejammer van zilvermeeuwen. Op de voorsteven staarde een grote meeuw hem aan met kleine levenloze kraaloogjes. Stijve vingers ontrafelden de knopen en maakten de visser los van de mast. De zee had zijn bootje ver het strand op geworpen, terwijl zij nu kalm kabbelend de kust op rolde en er weer van weg trok. Pijnlijk en krakend na de ongemakkelijke nacht klauterde de visser uit de boot welke rotsvast op het strand lag. Het eiland, verlaten in de wijde zee, was niet groot. De visser beklom dichtbeboste heuvels waar hoog in de bomen felgekleurde vogels vreemde liederen floten. Hij liep onder de brandende zon langs reusachtige rotsblokken die uit de hemel gevallen leken. Hij liep om een donker blauw meer heen en over hete stranden van zand en kleine kiezelstenen. Na het gehele eiland afgezocht te hebben, keerde de visser twee nieuwe manen later terug bij het gestrande bootje. Nergens had hij een spoor van mensenleven aangetroffen. Geen rookpluim of spelend kind. Nog geen door gaten aangevreten vissersnet was er ooit aangespoeld. Vanaf geen enkel punt van het eiland had hij land aan de waterige horizon kunnen zien. Geen os noch ros om voor het bootje te spannen, graasde hier. Iedere zonsondergang had de arme visser zijn goden aangeroepen. Zij leken echter doof voor zijn verzoeken. Hij kon slechts wachten op een nieuwe storm, zo heftig dat de schuimende zee het strand op zou slokken en haar golven het bootje weg zou voeren. Een storm zo hevig dat hij hem voor onmogelijk hield, maar welke hem hier op het eiland had doen belanden. Weeklagend zette de visser zich neer bij het bootje. Zijn borst vol hunkering naar zijn thuis aan de visrijke kust van het schone land Paltheras. Hij voelde de zachte volle dijen van zijn vrouwe met haar gouden gelaat. Hij sprak met zijn drie zonen, schrander en sterk, vol liefde voor hun ouders en de goden. De heldere sterrenhemel die langzaam voorbij trok, vertelde de visser dat hij nooit eerder zo ver van huis gedwaald was. En zijn ogen vulde zich met tranen en hij weende. Vol overtuiging vervloekte hij zijn goden, die hem niet hadden bijgestaan in de storm. Ondanks de vele vuuroffers die hij hun gegund had, brachten zij hem op dit eiland, waarvan nimmer een mens had horen spreken. En hij vervloekte de zee, die nu rustig ritmisch ebde. De zee, welke hij dikwijls bezongen had, vervloekte hij nu. Hij had haar sinds zijn vroegste jeugd ontelbaar maal bevaren. Beginnend te samen met zijn vader, daarna alleen en later nog met zijn eigen zonen. De zee, wijder dan de hemel, en dieper dan de diepste ravijnen. Nu wenste hij dat zij het bootje had doen omslaan in de storm, en hij verdronken was, of opgeslokt door de vreemde wezens uit haar verborgen diepte, die zelfs door de altijd waakzame zon nimmer aanschouwd waren. Over haar uitturend, zittend op het strand, werd zijn hart getergd door eenzaamheid en heimwee. In voorbijgegane jaren had zij hem altijd haar vis gegund en had hij haar liefgehad als een moeder. De eeuwige zee, ouder dan de tijd, de sterren en de duisternis. Dikwijls had de visser aandachtig geluisterd naar haar onbegrijpelijke geheimen die over haar golven echoden. Nu leek haar geruis hem slechts te tarten. Langzaam rollend, de zon weerschijnend, leek de zee hem te vertellen over zijn vrouw en zonen die ver van hem aan de kust van Paltheras net als hij over haar uitkeken, hopend op zijn terugkeer. Hun gelaat nat van de tranen. En ook de visser weende. Zijn zoute tranen vielen op het droge zand. Met een brekende stem zong hij een hooglied over het schone Paltheras, dat ook zijn voorouders lang geleden gezongen hadden. De wassende maan kwam die nacht laat op en staarde nu vaal geel en bedreigend groot boven het water. Verre sterren verschenen van achter de horizon, terwijl andere erachter verdwenen. Toen de dageraad de wolken paars en roze kleurde, zat de visser nog altijd te wenen. Hij zag dat het zand, waarop van zijn gezicht traan na traan viel, nat was. En een idee drong zich aan hem op. Voorbij de eerste rij heuvels van het eiland lag een diep meer, bijna zo zout als de zee en waarin vissen zwommen die de visser nooit eerder zag. Geen rivier of beekje stroomde ernaar toe of er vanaf. Het meer lag stil en vlak als de hemel erboven. Van buigzaam hout, bladeren en vlas maakte de visser kundig twee emmers en vulde deze bij het meer. Na drie dagen van weinig rust en veel geloop, kwam hij aan bij het strand waarop zijn bootje vast lag. Hij leegde hier zijn emmers en het zand zoog het zoute water gulzig op. Hierop keerde de visser terug naar het meer om zijn emmers weer te vullen. Keer op keer leegde hij deze op het strand en keer op keer liep hij terug naar het meer. Wanneer de honger hem plaagde voedde hij zich met vruchten en dronk het sap van zerpzoete bessen. Af en toe wist hij een klein hagedisje te vangen of een vis uit het meer, welke hij boven een vuurtje bakte. Hij sliep weinig en dacht slechts aan zijn verre thuis. Aan de zoete geur van zijn moeder. Aan de paarden en geiten waarmee hij opgroeide en waarvan hij alle namen kende. Aan de licht hellende bebloemde heuvels die hij als jongen beklom en van af rolde. Aan de jongste dochter van de heer Ostros, welke hij vol liefde eenmaal gezoend had. Aan zijn zachte vrouw, met haar donkere ogen en ronde mond, en zijn zonen, alledrie op hem lijkend. Aan zijn vader, die oud als hij was, nog dikwijls met hem ging vissen. Aan het drinkgelag in het drankhuis van Alal. Aan de lachende dikke boer Itram en zijn nog dikkere varkens. Aan dit al, en nog meer, dacht de visser, terwijl hij zijn emmers vulde bij het meer en leegde op het strand. Maan na maan, zomer na lente, jaar na jaar ging voorbij. En de visser liep nog altijd van het meer naar het strand en terug en heen en weer. Zijn haar en baard groeiden lang en grijs en nog altijd liep hij heen en weer met zijn emmers, vol en leeg, heen en weer. Toen er een plasje water op het doorweekte zand bleef liggen, bleef zijn gezicht nors geplooid. Grimmig als altijd keerde hij zich weer om, terug naar het meer. Hij at nog steeds de vruchten van het eiland, maar nam niet langer de tijd vissen te vangen. Als hij een hagedisje of een grote kever te pakken kreeg, vrat hij deze rauw. Op het strand gekomen, gooide hij dikwijls grote stenen naar de zeemeeuwen en scholeksters, en ook deze verorberde hij rauw en hij dronk hun bloed. En steeds weer keerde hij terug naar het meer. Hij klauterde over de oevers en vulde zijn emmers. En steeds weer keerde hij terug naar het strand, een enkele keer bijgestaan door een kortstondige regenbui. Heen en weer liep hij, altijd heen en weer. En het laagje water op het strand werd langzaam, zo langzaam, deel van de zee, en de golven rolden over het oppervlak. ’s Nachts keek hij niet langer omhoog naar de sterren, die hem de weg naar huis wezen. Hij dacht niet langer aan zijn thuis, aan zijn vrouw of zonen. Hij dacht slechts aan het bootje dat uiteindelijk door het water opgelicht zou worden en hem weer de open zee op zou brengen. De visser werd ouder en ouder en zijn botten kraakten en knapten terwijl hij met zijn volle emmers naar het strand liep. Steeds vaker gleed hij uit hij over een gladde steen of struikelde over een uitstekende boomwortel. Hij liep echter door. Hij vulde emmer na emmer en leegde emmer na emmer. Het was een blauw heldere dag toen de oude visser zijn twee emmers leegde en zag dat het golvende water het bootje deed schommelen. Wild wierp hij zijn emmers naast zich en rende en spartelde en zwom naar het bootje. Hij duwde met al zijn kracht en het bootje bewoog. Hij duwde en hij duwde en hij duwde het bootje los. Moeizaam beklom hij het bootje en trokken zijn verstarde ledematen hem erin. Nu zat hij in het bootje en het bootje dreef en hij balden zijn vuisten naar de zon en brulde. Langzaam nam de zee het bootje mee. Een bootje zonder roeispaan of zeil. Langzaam dreef het bootje verder en verder. En de oude visser keek verwonderd om zich heen en zag overal waar hij keek de zee.
|